‘R5’ maar wie kan dat wat schelen?
Zeldzaamheid van Romeinse munten
Vaak worden Romeinse munten
aangeprijsd met ‘zeer zeldzaam’, ‘SELTEN!’, ‘RRR’ en andere lofuitingen. Soms wordt
er ook nog bijgezet welke graad van zeldzaamheid Roman Imperial Coinage (RIC)
aangeeft voor de desbetreffende munt -
van C (common), via S (scarce) en R1 (zeldzaam) tot R5 (bijna uniek). Een hoge
R-graad in RIC geeft menig handelaar aanleiding een veelvoud te vragen van de
prijs die je zou verwachten voor zo’n munt. In deze column wil ik wat
kanttekeningen zetten bij de ‘zeldzaamheid van Romeinse munten’ en de relatie
daarvan met de prijzen in de muntenmarkt. Ik zal het een en ander illustreren
aan de hand van laat-Romeinse munten, maar de opmerkingen zijn ook van
toepassing op eerdere periodes.
R5 maar wie bepaalt dat? Nuancering van
zeldzaamheidsaanduidingen in RIC
RIC is
geschreven in een tijdspanne van enkele decennia, door verschillende auteurs.
Verschillende delen hanteren dus ook verschillende methoden om ‘zeldzaamheid’
vast te stellen. Meestal, bijvoorbeeld in RIC VII, wordt het aantal
aangetroffen munten in de verschillende onderzochte museumcollecties als
maatstaf genomen:

Figuur 1: ‘Degrees of Rarity’ in RIC VII, p. xxi. RIC heeft het over de ‘coins known’ in de onderzochte
museumcollecties. Het werkelijke aantal munten – met inbegrip van
particuliere verzamelingen en in niet-onderzochte musea - is dus in de
regel veelal vele malen hoger
Deze manier van zeldzaamheid
bepalen is natuurlijk problematisch. Museumcollecties zijn immers geen goede
dwarsdoorsnede van de Romeinse numismatische geschiedenis. Musea willen in de
regel, net als particuliere verzamelaars, een mooie collectie opbouwen. Daarom
zullen ze neigen naar een oververtegenwoordiging van zeldzamere stukken. De 133e
Gloria Exercitvs zal met andere woorden niet aangeworven worden, in
tegenstelling tot munten die missen in de collectie.
Iets anders dat de
zeldzaamheidsaanduiding in RIC problematiseert, is het marktaanbod van het
moment. Grote muntvondsten kunnen de zeldzaamheid en de prijs van antieke
munten aanzienlijk beïnvloeden, aangezien de markt relatief klein is. (Een
voorbeeld: onlangs werd op een welbekende online veilingsite een enorme
muntschat (honderden munten) van veelal dezelfde folles van Constantijn de
Grote aangeboden. In de eerste weken werden prijzen van 20 euro gerealiseerd,
maar gaandeweg daalde de gemiddelde opbrengst richting de 10 euro. Zo snel kan
dat dus gaan.)
Een andere methode die RIC
gebruikt (bijvoorbeeld deel V), is het ‘vertalen’ van de prijzen de beroemde
catalogus van Cohen naar de C tot R5-schaal. Het spreekt vanzelf dat deze bron
– veilingopbrengsten in de 19e eeuw – ook zeer te wensen overlaat.
R5 maar wie kan dat wat schelen? Zeldzaam hoeft nog niet
duur te zijn
Iedereen heeft als het goed is
op school de geheimen van de marktwerking geleerd. Prijs wordt bepaald door
vraag en aanbod. En dat is voor antieke munten niet anders. De prijs van een
munt wordt bepaald door de wisselwerking tussen vraag en aanbod, niet door het
aanbod alleen (zeldzaamheid dus). Neem bijvoorbeeld twee munten. De een van
Constantijn de Grote, en een andere van Licinius. Beide munten zijn even mooi,
hebben dezelfde keerzijde en uit RIC blijkt dat beide munten ‘R5’ worden
gekwalificeerd – behoorlijk zeldzaam dus. Maar in de praktijk zal de
Constantijn een hogere prijs opbrengen, simpelweg omdat er meer verzamelaars
van Constantijn zijn dan van Licinius.
De aanduiding ‘R5’ in
handelsaabod moet meestal met een korreltje zout genomen worden. RIC geeft
namelijk voor elke kleine variant een aparte zeldzaamheidsaanduiding. Maar al
die ‘zeer zeldzame varianten’ maken uiteindelijk één courant type:

Figuur 2: Overzicht in RIC VII van het type Virtus
Exercit voor Constantijn en Licinius en hun caesares.
Het vinden van een specifieke variant is moeilijk, het
vinden van het type is een koud kunstje
In bovenstaand overzicht
blijkt dat alle bekende varianten van deze emissie R2 tot R5 zijn. Maar het type
is heel courant en gemakkelijk te vinden. Helemaal omdat er nog drie emissies
zijn geweest van dit type – met dus nog meer kleine variantjes (RIC nrs 120-139
zijn ook allemaal ‘zeldzaam tot uniek’).
Hier komt dus weer de vraag Wie
kan dat wat schelen? om de hoek kijken. Een munt van officina A die
als ‘R5’ in RIC staat is leuk om te hebben, maar een R1 of ‘Common’ van officina
B ziet er precies hetzelfde uit – behalve die B dan. Een gemiddelde
verzamelaar zal dus niet vaak dieper in de buidel tasten voor die ‘bijna
unieke’ officina A. In de praktijk wordt er wel eens geprobeerd een
veelvoud te vangen voor een dergelijke ‘zeer zeldzame’ munt, maar de
marktwerking zorgt er dan vaak voor dat die munt onverkocht blijft.
Bij elke munt die aangeprezen
wordt met ‘zeldzaam’ of iets dergelijks, is het dus verstandig te kijken wat
er nu precies zeldzaam aan is. Is dat een miniem variantje op een courant type,
waarin alleen de specialistische verzamelaar geïnteresseerd is, of is de munt
echt bijzonder? Een munt is terecht zeldzaam als het hele type zeldzaam
is. En hoe afwijkender het type, hoe beter. Laat ik dat illustreren aan de hand
van twee munten. Allereerst deze kamppoort van Constantijn de Grote uit
Arelate:

Volgens RIC is deze munt
‘common’. Maar in de context van de immense ‘kamppoortmuntslag’ onder
Constantijn, is hij redelijk schaars. Dat komt omdat we hier te maken hebben
met een kamppoort met opengeslagen deuren en met het omschrift VIRTVS AVGG. Die
combinatie vinden we alleen in Arelate. Verreweg de meeste kamppoorten die te
vinden zijn op munten hebben geen deuren en hebben het omschrift PROVIDENTIAE
AVGG. Maar ook van dit type zijn er veel munten geslagen en ze zijn redelijk
eenvoudig te vinden. Een ander voorbeeld:

Deze munt van Licinius II, met
op de keerzijde Mars, is met recht ‘zeer zeldzaam’ te noemen, ook al noemt RIC
hem slechts ‘R3’. Deze munt is namelijk maar geslagen in 1 officina van Thessalonica,
gedurende 1 emissie. Een uniek munttype dus.
Concluderend kan gezegd worden
dat voor verzamelaars een ‘zeer zeldzaam’ munttype interessant is. Een speciale
keerzijde, een speciaal omschrift of een speciale portretbuste. En hoe
specialer, hoe duurder. De meesten liggen niet echt wakker van – en betalen
zeker niet meer voor – kleine varianten op een bekend thema die toevallig ‘zeer
zeldzaam’ zijn.
De zeldzaamheidsaanduidingen in
RIC zijn handig, maar geven zoals boven al gezegd is, vaak een vertekend beeld.
Maar er is een betere en betrouwbaardere manier. Muntvondstpublicaties. Met de
publicatie van een schatvondst hebben we een mooie dwarsdoorsnede van de munten
die op een bepaald ogenblik in omloop waren. Vergelijking van munten onderling
geeft een daarom een goed en betrouwbaar beeld van relatieve zeldzaamheid.*
Hieronder zal ik dat voor de
denarii van Julia Maesa in De Réka Devnia-muntschat demonstreren. Deze
schatvondst bestond uit bijna 70.000 denarii uit de 1e tot de 3e
eeuw. Van Julia Maesa werden 1141 munten geteld, verdeeld over 13 verschillende
typen. In de tabel staat eerst het type aangegeven, gevolgd door het aantal
exemplaren in de muntschat en de RIC-zeldzaamheidsaanduiding. De tabel legt al
na een vluchtige blik de zwakheid van RIC op dit vlak bloot.
Fecvnditas 3 - Zeer
zeldzaam
Fecvnditas Avg 50 249
Common Courant
Felicitas Pvblica - 251 Scarce Zeer zeldzaam
Fortvnae Redvci - 252 Common Zeer zeldzaam
Ivno 74 254
Common Courant
Ivno 6 256
Common Zeldzaam
Ivno Conservatrix 1 257
Scarce Zeer
zeldzaam
Ivno Conservatrix - 258
Rare (zonder pauw) Zeer
zeldzaam
Laetitia Pvbl 5 261 Scarce Zeer
zeldzaam
Pietas avg 110 263
Common (parfumdoosje in hand) Courant
Pietas avg 8 264 Scarce
(antoninianus) Zeldzaam
Pudicitia 547 268 Common Zeer
courant
Saeculi Felicitas 316 271
Common Zeer
courant
-
RIC geeft
voor bijna al Maesa’s denarii aan dat ze ‘common’ zijn. Maar eigenlijk
verdienen van de hier opgesomde typen alleen Fecvnditas avg, Ivno, Pietas
avg (de variant met parfumdoosje), Pvdicitia en Saecvli Felicitas
die aanduiding. Maar de relatieve zeldzaamheid tussen die typen verschilt
nogal: Fecvnditas Avg is 10x zo
zeldzaam als haar meest voorkomende denarius, Pvdicitia.
-
Beide
denariusvarianten van Pietas avg zijn
Common volgens RIC, maar uit de muntschat blijkt dat het type Pietas met ‘beide
handen geheven’ veel zeldzamer is.
-
De munten
die RIC als ‘Scarce’ catalogiseert, blijken in werkelijkheid zeer zeldzaam te
zijn.
-
De enige
munt die RIC ‘Rare’ heeft, bevindt zich niet in de muntschat. Dat is dus een
pluspuntje, maar ook diverse munten die als ‘Scarce’ en ‘Common’ te boek staan,
missen in de muntschat.
-
Maesa heeft
eigenlijk maar zeven munten die goed te vinden zijn (aangegeven met iets
donkerder grijs).
* Voordat
er conclusies getrokken worden over zeldzaamheid, moeten er natuurlijk wel een
aantal dingen in overweging genomen worden. De vindplaats is natuurlijk belangrijk omdat die direct impact heeft
op de compositie van een schat – geen of weinig oostelijke muntplaatsen in
vondsten in het westen bijvoorbeeld. Ook het tijdstip van begraven is belangrijk. Een recente emissie munten kan
oververtegenwoordigd zijn.
Meer
over dit onderwerp staat te lezen op muntenbodemvondsten.nl in een bijdrage van
ervaren verzamelaar ‘Aurelianus’: http://www.muntenbodemvondsten.nl/index.php?topic=194.msg514